Albert Cossery – Grote dieven kleine dieven 20/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

Met de onlangs verschenen boeken die ik niét heb gelezen, krijg je gemakkelijk een forse boekhandel gevuld. Kijk ik naar ongelezen boeken uit het verleden, dan doemen er meerdere overvolle bibliotheken op. Dat is een realiteit waar ik al sinds lang vrede mee heb. ‘Je mist meer dan je meemaakt. Helemaal niet erg,’ dichtte wijlen Martin Bril ooit, een levenshouding die althans bij mij zorgt voor evenwicht en rust. Al is het best fijn om zo af en toe eens een roman of novelle voorgeschoteld te krijgen die ik op de een of andere manier gemist heb. “Les Couleurs de l’infamie” van de Frans-Egyptische schrijver Albert Cossery is zo’n boek. Oorspronkelijk verschenen in 1999 bij de gedistingeerde Éditions Gallimard en toen onopgemerkt aan mij voorbijgegaan. Daar komt nu door de Uitgeverij Jurgen Maas verandering in dankzij de publicatie van een piekfijne vertaling van dit werk met als titel “Grote dieven kleine dieven”. Hulde trouwens aan vertaalster Mirjam de Veth, die het boek niet alleen uitstekend vertaalde, maar ook nog eens voor een zeer leesbaar nawoord zorgt.

In deze roman, de dunste en laatste die Cossery schreef (hij was toen 86), volgt de lezer een paar dagen uit het leven van Oessama, een stijlvolle en bepaald pientere zakkenroller die zich dankzij de kleine misdaad staande houdt in de broeierige metropool Cairo, een stad met een hypnotiserende aantrekkingskracht op boeren, burgers en buitenlui, ‘gevoed door de dwaze illusies over welvaart in de tot een mierenhoop veranderde hoofdstad’. Daardoor ontstaat een ongebreidelde verhuizing van mensen die hopen dat ze een betere toekomst vinden in een oord dat in de verte misschien op een aanlokkelijke oase lijkt, maar in werkelijkheid het voorgeborchte van de hel is: ‘Langs de door de reinigingsdienst verwaarloosde verkeerswegen spreidden gebouwen die gedoemd waren binnenkort in te storten (en waarvan de eigenaars al lang iedere bezittertrots hadden laten varen) op de gammele balkons en terrassen de kleurige lompen van de armoede uit als overwinningsvlaggen.’

Oessama houdt ervan om de chaos van de stad te observeren vanaf de bovengrondse voetgangersbrug die het Tahrirplein omsluit. Dat biedt hem de kans om te reflecteren over de menselijke conditie, maar tegelijk is het een mooie uitkijkpost van waar hij zijn volgende slachtoffer kan zoeken. Cossery beschrijft zijn hoofdpersoon zodanig empathisch dat het welhaast onmogelijk is geen genegenheid voor de jongeman te voelen. Oessama is slim (hij kleedt zich bijvoorbeeld zo voorbeeldig mogelijk omdat hij dan niet de indruk wekt een kleine dief te zijn), eerlijk (wat vreemd klinkt in het geval van een dief, maar ik heb liever met hem te maken dan met menig politicus of zakenman), voorzien van een ‘praktische intelligentie’ en verstandig, als hij iets onderneemt gebeurt dat steeds op een bezonnen manier. Hij is ook nog eens sociaal bewogen want hij steelt enkel van de rijken: ‘Die diefstallen vormden slechts een kleine terugvordering van de fabuleuze bedragen die deze gewetenloze schurken ten koste van de armoede van het volk opstreken.’

Op een dag pikt hij de portefeuille van een projectontwikkelaar waarin een brief zit waaruit blijkt dat die gemene zaak maakte met een corrupte politicus om inferieur bouwmateriaal aan te kopen en zo flink wat geld in eigen zakken te kunnen steken. Het gevolg van dit gesjacher was dat er een gebouw in de stad instortte met 50 dodelijke slachtoffers als gevolg. Oessama weet dat hij hiermee letterlijk en figuurlijk een tijdbom in zijn handen heeft en doet een beroep op zijn oude leermeester Nimr om met hem te bekijken wat hij precies met die brief moet aanvangen. Ze brengen samen een bezoek aan de revolutionaire intellectueel Kamalla, voormalig schrijver en journalist, maar vooral een man die zich inspant voor de verdwijning van alle politici. Die belooft hun om een oplossing te zoeken: ‘Deze zaak is zo grotesk dat ik een grandioze oplossing zou moeten bedenken. Het is zinloos om zo’n cadeau te geven aan idioten (hiermee bedoelt hij de pers, MO). Laten we het voor onszelf houden.’ Wat volgt in een bij tijden even hilarisch als messcherp geschreven relaas over waartoe eigenbelang en tomeloos cynisme kunnen leiden. Zonder de plot van dit heerlijke en sprankelend vertelde verhaal te verklappen, blijft het een verademing om te zien dat hoogmoed nog steeds voor de val komt en dat Boontje met niet aflatende inspanning op zoek blijft gaan naar zijn loontje.

Albert Cossery maakte er zijn levensdoel van om zo min mogelijk te doen, niet omdat hij lui was maar omdat die levensstijl hem het best beviel. Dat weerspiegelt zich in de bescheiden omvang van zijn oeuvre dat uit amper 8 romans en verhalenbundels bestaat, maar niét in het werk dat hij in dat oeuvre heeft gestoken. Cossery was een zeer nauwkeurige detaillist die lang en diep nadacht over hoe hij zijn roman of verhaal zou opbouwen en die urenlang kon reflecteren over zinsbouw, woordgebruik en interpunctie (‘Ik schrijf maar twee zinnen per week,’ zei hij ooit). In deze roman is veel van die houding terug te vinden in de personages in het algemeen en hoofdpersonage Oessama in het bijzonder. Niet dat ze lui zijn en zich overgeven aan lichamelijke en geestelijke inertie, maar omdat ze hun daden en inspanningen zorgvuldig afwegen, zoals hun geestelijke vader.

“Grote dieven kleine dieven” is een heerlijk boek over schuld en het geit dat daar enige vorm van boete op moet volgen, vol humor, ironie en rake typeringen. Als de malafide projectontwikkelaar Soelaiman zijn hachje probeert te redden door te beweren dat het drama met het ingestorte gebouw te wijten is aan een aardbeving, merkt Oessama het volgende op: ‘Het valt me op dat aardbevingen altijd plaatsvinden in de armste streken op de aardbol. Je zou je afvragen of de natuur een hekel heeft aan de armen.’ De geest van dat antwoord is van alle tijden. Zoals dit boek dat ook is.

« Bertram Koeleman – Het wikkelhart
Patrick Modiano – Onzichtbare inkt »