Robert Walser – De Tanners 24/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

Levenskunst van een lanterfanter

Zürich, circa 1900. Op een ochtend stapt een schuchtere, fatsoenlijke jongeman bij een boekhandelaar binnen en biedt zijn diensten aan. Simon Tanner stelt zichzelf met zwier voor. Onder de indruk van Simons openhartigheid, laat de oude boekhandelaar hem op proef beginnen. Amper een week later geeft Simon er de brui aan. Hij veegt zijn chef de mantel uit: ‘Moet ik mijn krachten, mijn lol in bezig zijn, mijn plezier in mezelf, en het talent dat ik daar zo schitterend toe in staat ben, weggooien aan een oude, smalle, krappe lessenaar in een boekwinkel?’

De Tanners is de eerste grote roman van Robert Walser (1878-1956). Net als zijn protagonist Simon Tanner, had Walser maling aan de mondaine wereld, leefde als een nomade, vertoefde het liefst aan de periferie van de samenleving en was graag arm en zorgeloos. Aanvankelijk wist hij zich omringd door liefdevolle broers en zussen, later bekoelde de relatie met zijn familie. Walser was het gelukkigst wanneer hij in afzondering schreef. Dan hing er een ‘zachte, tere, grote sluier’ om hem heen.

Walsers weemoedige en toch ongebreideld levenslustige boeken werden lauw onthaald. Gedesillusioneerd belandde hij in de psychiatrie en weigerde allengs nog te schrijven. Later zou hij zijn spijt uitdrukken over de manier waarop hij schreef –  ‘alsof hij er op los musiceerde’, alle regels en verwachtingen aan zijn laars lappend – en zichzelf een gebrek aan maatschappelijk instinct verwijten. Walser besefte niet dat hij met onder meer De Tanners, Jakob von Gunten en De wandeling klassiekers van formaat had geschreven. Hij stierf tijdens een wandeling in de sneeuw aan een beroerte en werd pas een hele tijd later gevonden. Merkwaardig genoeg beschreef hij in De Tanners, in een profetische passage waarin Simon een dichter dood aantreft in de sneeuw, gedetailleerd de omstandigheden van zijn eigen dood.

In het arbeidsbemiddelingsbureau reageert men verbaasd op de wankelmoedigheid van Simon Tanner, een onverbeterlijke vagebond die niet verhult dat hij er een liederlijke levenswijze op nahoudt. Vrolijk huppelt Simon van het ene naar het andere tijdelijke baantje. Zijn oudere broer, de plichtsbewuste Klaus, maakt zich zorgen om het lot van de zwalpende Simon. Het liefst ziet hij hem belast met de zorgen van een conformistisch bestaan en hij aarzelt dan ook niet om zijn broer schriftelijk aan te manen ‘mens onder de mensen te worden’, zich te schikken in gestrenge arbeid en zijn meerderen te gehoorzamen. ‘Doe toch eens iets wat iemand reden kan geven om in welk opzicht dan ook nog in jou te geloven. (…) Zoals je nu bent, sluip je maar zo’n beetje om hoeken en door spleten van het leven: dat moet stoppen.’

Simon trekt zich van al die verwachtingen weinig aan. Hij houdt van het ruisen der jaargetijden boven zijn hoofd, vindt het heerlijk om over landwegen te lopen. Met zijn goudeerlijke inborst neemt hij iedereen voor zich in. Hij hokt samen met zijn broer Kaspar, een kunstenaar. Beiden zijn ze verliefd op hun aantrekkelijke hospita Klara, in wie Simon een zielsverwant ziet. Hij schenkt zichzelf aan haar, maar wil niet dat zij hem liefheeft. Dat Klara van zijn broer houdt, maakt hem juist gelukkig. ‘Ik houd van gezichten die zich van mij afwenden, naar een ander voorwerp.’ Ongeremd wil hij liefde kunnen geven maar zelf wil hij geen enkele verbintenis aangaan.

Een tijdelijk baantje bij een bankinstelling maakt hem onpasselijk. Al zijn collega’s lijken op elkaar, lopen en spreken eender en stompen af in zwakke gewoonten die net voldoen. Zal hij met zo’n baan later kunnen zeggen dat hij heeft geleefd? Hij zorgt ervoor dat hij ontslagen wordt. Dat hij volgens de chef daarmee zijn eigen toekomst ondermijnt, zal Simon worst wezen. Hij wil helemaal geen toekomst, hij wil een heden.

Het liefst dartelt Simon in de bossen en laat hij zich bezielen door de schoonheid van de natuur. Met zijn kunstenaarsblik en dichtershart neemt hij afzonderlijke klanken en beelden waar, maar verliest nooit het geheel uit het oog. Walser beschrijft Simons extatische levenshouding zo overweldigend dat je soms ongemakkelijk op je stoel gaat schuiven.

Het wordt winter. Kaspar vertrekt naar Parijs en Simon voelt zich nutteloos. Aan zichzelf overgelaten, dwaalt hij doelloos door de bergen. Dorp in, dorp uit, dag in, nacht uit. Nevel, bittere kou of genadeloze zon, het maakt Simon niet uit. Tijdens die tochten geeft hij zich over aan herinneringen aan een sprookjesachtige kindertijd. Het geeft hem een behaaglijk gevoel een vergeten mens te zijn. Hij denkt aan zijn jong gestorven moeder en zijn broer Emil in het krankzinnigengesticht en warmt zich aan de aanblik van de rode zon in de winterkou.

Simon trekt enkele maanden in bij Hedwig, zijn trotse zus, een onderwijzeres op het platteland. Ze ontvangt hem met een mengeling van liefde en wantrouwen. Simon doet enkele klusjes in huis, maar gewoonlijk is er niets te doen en dan gaat hij het bos in. Hij verkiest ‘het perspectief van de toeschouwer die er in de wereld nou eenmaal ook moet zijn’ en heeft het talent aan heel weinig genoeg te hebben. Door een overvloed aan vrije tijd kan hij rustig nadenken over de essentiële dingen in het leven. Zijn gemoedsschommelingen ziet hij weerspiegeld in de seizoenen. Vragen en problemen lossen zich als vanzelf op in luisteren naar de wind of in de verte turen. Hoe lang kan hij dit leven van louter kijken, luisteren en niets doen nog voortzetten?

Hij komt weer aan in de stad. Wat liepen ze gehaast, deze stadsmensen. ‘Een lichte, niet te verhelen droefheid hield hem bevangen maar zij harmonieerde met de fletse, ietwat benevelde hemel.’ Simon Tanner vindt een baantje en is blij dat hij een belemmerd en ingeperkt leven kan leiden. ’s Avonds slaat zijn verlangen alweer op hol en zo zwalpt hij tussen plicht en ongebondenheid. ‘In zijn hart brandden alleen nog maar hulpeloze fantasieën die geen aanspraak konden maken op de werkelijkheid.’

Voor de buitenwereld wordt Simon stilaan een tragische figuur, want ook nu kan hij het niet opbrengen te blijven. Haveloos, afzijdig in een hoekje van een café, vangt Simon gesprekken van anderen op. Door naar hun verhalen te luisteren leert hij over zichzelf. Zelf vertelt hij niets want wat valt er te vertellen? Hij heeft geen voorgeschiedenis, geen curriculum. Hij kan zich slechts presenteren zoals hij nu is. 

Zelfs al spoken er nu en dan zorgen door Simons hoofd en voelt hij sporadisch een zweem van bitterheid – hij is immers niet ongevoelig voor het oordeel van anderen – telkens opnieuw haalt hij sloten energie uit de aanblik van een weids landschap en de liefkozingen van de avondzon. Het landschap vervult hem met vertrouwen in zijn keuze voor vrijheid. Toch lijkt hij nog steeds bedremmeld voor de poort van het leven te staan, wachtend en luisterend.

Onmerkbaar voor de buitenwereld heeft Simon zich bekwaamd. Terwijl hij wachtte, leerde hij dromen. Terwijl hij keek, leerde hij over kunst en poëzie. Terwijl hij luisterde, leerde hij over anderen en over zichzelf, zijn deugden en zwaktes. Niets in de wereld is van hem en hij verlangt ook niets van de wereld. Het enige wat hij kan, is geven: zijn diensten, zijn liefde en zijn kracht, aan wie er maar ontvankelijk voor is. Vrolijk kiest Simon ervoor de volledige schuld van de wereld op zijn schouders te nemen, alsof het een pluimpje was. En hij is vast van plan die schuld af te betalen.

Wie met De Tanners verder wil, zal zijn tred moeten aanpassen en de tijd moeten nemen. Voor deze roman ga je het best breed zitten of languit liggen, als aan de oever van een rustig kabbelende rivier. Dit boek er snel doorheen jagen zou volledig indruisen tegen de geest van de protagonist, die de onverdroten aandacht van de lezer meer dan waard is. Je krijgt er ook iets voor terug. Walser laat je vrijer ademen, verder kijken en beter luisteren.

Robert Walser: De Tanners, Koppernik, Amsterdam 2020, 328 p. Vertaling van Geschwister Tanner door Machteld Bokhove. ISBN 9789492313799.

Eerder verschenen op Mappalibri en Geendagzonderboek.

« Paul Valéry – Klaaglied van Psyche
Julia Deck – Een huis dat van ons is »