Patrick Modiano – Onzichtbare inkt 20/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

Met weinig woorden veel zeggen en daarbij de schoonheid van de taal niet uit het oog verliezen, het is een gave die niet bepaald genereus is verdeeld in de wereld van het woord. Luister bijvoorbeeld naar sommige politici en het wordt je droef te moede. Een maximum aan woorden, een minimum aan inhoud. In de politiek kom je daar, gezien de talloze voorbeelden, nog altijd mee weg. In de literatuur is een dergelijke aanpak funest voor de spanningsboog die de schrijver probeert op te trekken. Waarbij het voor de kniesoor evident mag zijn dat deze methode zich niet beperkt tot novelles of minder omvangrijke romans, maar ook in lijvige vertellingen kan worden toegepast.

Nobelprijswinnaar Patrick Modiano heeft sinds hij in 1968 debuteerde met ‘La Place de l’Étoile’ (door Edu Borger vertaald als ‘De plaats van de ster’) van nauwgezet maar veelzeggend taalgebruik zijn handelsmerk gemaakt. In zijn oeuvre, dat inmiddels bijna veertig titels bevat, vind je geen vuistdikke romans maar zorgvuldig afgewogen verhalen die zelden de 200 pagina’s overschrijden. Dat geldt ook voor het onlangs verschenen ‘Onzichtbare inkt’, een prima vertaling van ‘Encre sympathique’ (2019) door Maarten Elzinga. In die nieuwe roman staan, herkenbaar bij Modiano, twee thema’s centraal: de zoektocht naar het verleden en de betekenis van dat verleden voor het heden. Naar gewoonte speelt een groot deel van het verhaal zich af in Parijs, de stad waaraan Modiano naar eigen zeggen ‘zijn bestaan te danken heeft’ en die daarom altijd een ‘oerbron’ voor hem is geweest.

In ‘Onzichtbare inkt’ volgen we verteller Jean Eyben, die als jongeman voor een detectivebureau werkt en van zijn baas het dossier van Noëlle Lefebvre in zijn handen gedrukt. Of hij de vrouw in kwestie wil opsporen. Het dossier bevat heel wat ‘witte plekken’, hiaten in het leven zoals dat bekend is bij anderen. Wat volgt, is een speurtocht naar wat ooit geweest is, niet alleen in het leven van Noëlle Lefbvre, maar in dat van iedereen die haar heeft gekend én in het hoofd van Eyben zelf. Gaandeweg sluipt de gedachte in diens hoofd dat het verleden evengoed een hersenschim kan zijn, maar voor het zover is, botst hij op de werking en beperking van het geheugen: “(…) als ik aan de toekomst dacht, was ik ervan overtuig dat niets van wat ik beleefde ooit verloren zou gaan. Ik was te jong om te beseffen dat je op een gegeven moment steeds vaker op gaten in je geheugen stuit.”

Die kortsluiting tussen verleden, heden en toekomst vormt de rode draad in de roman. Wat stond er op de witte vlekken in ieders ‘dossier’? Hoe vullen we de hiaten met waarheid, met feiten? En hoe zeker zijn we ervan dat het effectief om waarheid en feiten gaat? Even verderop klinkt het dat “al schijnen er soms gaten te zitten in je geheugen, alle details van je leven toch ergens met onzichtbare inkt staan genoteerd”, een gedachte die aan het eind van de speurtocht toch weer onderhevig is aan twijfel omdat waarheid en schijn moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Mensen laten nu eenmaal veel ‘tegenstrijdige sporen’ achter en afstand in tijd zorgt niet voor overzicht maar voor nevel. Naar gelang de tijd vordert, wordt het zicht op wat ooit helder was waziger en vertonen feit en fictie de neiging om samen te vloeien.

In het neerschrijven van die ontwikkeling heeft Modiano zich al eerder een ware meester getoond, en hij doet dat in ‘Onzichtbare inkt’ opnieuw. De teneur van de roman is gedrenkt in het verlangen naar vervlogen tijden, noem het gerust melancholie, zonder daar ook maar één minuut in te zwelgen. In het universum van Modiano is melancholie namelijk geen vlucht naar een verloren tijd die nooit echt heeft bestaan, maar een van de vele bestanddelen waaruit het heden is opgebouwd en waarop de toekomst zal leunen. Al moet je daarbij wel opletten dat je jezelf niet verliest in de chaos van de tijd en moet je ervoor zorgen dat je structuur in het verleden aanbrengt “om niet te verdwalen in het grensgebied tussen herinnering en vergetelheid”. Verdwalen doet de verteller hier niet. Gericht zoeken des te meer. Het is ook deze keer een voorrecht om die zoektocht van nabij te mogen volgen.

(Dit artikel verscheen eerder op www.boekensite.gent)

« Albert Cossery – Grote dieven kleine dieven
Yamina Benahmed Daho – Uit het hoofd »