Hanny Michaelis – Oorlogsdagboek 1940-1945 20/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

“Ik ben toch ontzettend blij, dat ik kan schrijven en vooral dat ik gedichten kan schrijven, het geeft me nu en dan een heerlijk vertrouwd gevoel, dat ik tenminste iets heb, dat niemand me kan afnemen.” Die ontboezeming is terug te vinden in ‘Oorlogsdagboek’ van Hanny Michaelis. Daarin maakt samensteller Nop Maes, terzijde gestaan door Lieneke Frerichs en Gemma Nefkens, een zorgvuldig afgewogen keuze uit ‘Lenteloos voorjaar’ en ‘De wereld waar ik buiten sta’, twee dagboeken die niet enkel imponeren door hun inhoud, maar ook door hun omvang: samen zijn ze goed voor ruim 2000 bladzijden. Het formaat van dít boek wordt beperkt tot 400 bladzijden, noem het gerust de beste passages uit de dagboeken, en die zijn het lezen meer dan waard.

‘Oorlogsdagboek’ begint op zondag 19 mei 1940, negen dagen nadat Nederland de Tweede Wereldoorlog in werd gesleept door het nazistische regime in Duitsland. Tijdens die eerste dagen lijkt de oorlog nog een soort ver van mijn bed show te zijn voor Michaelis. Ze houdt zich als zeventienjarige volop bezig waar zeventienjarigen mee bezig moeten zijn: dramatische verliefdheden, klagen over het onbegrip van de wereld en vooral de ouders (in dit geval de moeder, vader is een ietwat wereldvreemde gevoelsmens die grote delen van de dag piano speelt), roddelen over vriendinnen, dwepen met een bepaalde leerkracht en zichzelf verliezen in romantiek. Daarmee wijkt ze in niets af van haar leeftijdgenoten. Waarin ze wél anders is, is haar voorliefde voor geschreven taal. Haar dagboek is geen schriftje waarin allerlei feitelijkheden worden opgedist die gedurende de dag de revue passeerden, maar in heel wat gevallen kleine portretten van zichzelf en de mensen rondom haar. Tegelijk geven ze ook een kijkje in de denk- en leefwereld van Hanny, twee werelden die voor een ingrijpende wijziging staat.

De wijze waarop de oorlog in het dagboek binnen sijpelt, is zeer subtiel. De veranderingen zitten aanvankelijk vooral in kleine dingen. Op 17 augustus 1940 stelt Michaelis vast dat alle boeken van ‘Joodse en in Duitsland verboden schrijvers’ uit de bibliotheek zijn verdwenen: ‘Of het nu van hogerhand is voorgeschreven, of dat de lui van de bibliotheek het maar vast zelf gedaan hebben, uit angst of overgrote ijver, weet ik niet, maar in elk geval vind ik het meer dan idioot en heel vervelend.’ Drie maanden later schrijft ze dat ze medelijden heeft met de meeuwen, ‘ze vliegen voortdurend hongerig krijsend om de huizen, maar niemand geeft ze iets’. De reden daarvoor is duidelijk: de door de bezetter opgelegde brooddistributie zorgt ervoor dat mensen ook de laatste broodkruimels voor zichzelf hielden.

Later slaat de oorlog echter in alle hevigheid toe, met bombardementen, razzia’s en steeds meer militairen en militaire voertuigen in het stadsbeeld. De situatie wordt zelfs zo nijpend, dat Michaelis in januari 1942 onderduikt om zo te ontkomen aan de Jodenvervolging van het Duitse bezettingsleger. Voortaan gaat ze door het leven als ‘Wilma’. In de drie jaren die daarop volgen, leidt ze een onzeker bestaan te midden van doorgaans streng gereformeerde gezinnen in steden en dorpen in de provincie. Ze werkt daar als dienstmeisje, kan rekenen op een eigen kamertje en drie maaltijden per dag, maar zekerheid over een lang verblijf heeft ze nooit. Zoals ze ook geen zekerheid heeft over het wel en wee van haar ouders, ‘pappie en mammie’, die in hun woning in Amsterdam zijn gebleven (in april 1943 komt ze via een illegaal verkregen briefje te weten dat haar ouders in het doorgangskamp Westerbork zitten, pas vijfenhalf jaar later laat het Nederlandse Rode Kruis haar weten dat haar ouders in datzelfde jaar meteen na aankomst zijn vergast in Sobibor). Dat knaagt voortdurend aan haar zelfvertrouwen, al zie je dat niet voortdurend terug in haar dagboeknotities.

In ’Oorlogsdagboek’ toont Hanny Michaelis zich als een nuffig jong meisje dat zich nolens volens ontwikkelt tot een sterke jonge vrouw. Niets menselijks is haar vreemd, en het mooie aan dit dagboek is dat ze die kleine kantjes niet verbergt. Jaloezie, na-ijver, hooghartigheid, haat (in 1943, kort nadat ze te weten is gekomen dat haar ouders naar Westerbork zijn gestuurd, antwoordt ze op de vraag wat er na de oorlog met de Duitsers moet gebeuren: ‘Wat mij betreft – ik geloof dat er afgezien van alle wraakgevoelens maar één bevredigende oplossing voor dit vraagstuk bestaat en die is te ongerijmd om toegepast te worden: alle Duitsers bij elkaar drijven en vergassen of vergiftigen, in elk geval doden’) en sentimenteel zelfmedelijden (‘Ik heb zo’n schrijnende behoefte aan iemand bij wie ik mijn hart kan uitstorten, bij wie ik mag huilen en die me troostend en begrijpend toespreekt. Maar hier zijn allemaal vreemden en een huiverig medelijden is het enige dat ze me bieden’).

Daar staat tegenover dat ‘Oorlogsdagboek’ een haarfijn beeld schetst van het leven van een onderduikster, van iemand die tegen wil en dank afstand moet doen van haar eigen identiteit en die haar leven volledig in de handen legt van onbekenden. Vanuit dat perspectief komt Hanny Michaelis tevoorschijn als een sterke vrouw, doordrongen van de wil om te overleven, bereid om haar vrijheid op te offeren, overgeleverd aan de genade van anderen. En tot slot zie je hoe ze evolueert tot schrijfster, hoe ze gaandeweg haar stijl ontwikkelt, hoe ze denkt over literatuur en poëzie, hoe haar wereldbeeld ondanks de beperkingen van het onderduiken zich verbreedt en verruimt. Al die elementen tezamen maken van ‘Oorlogsdagboek’ een onvergetelijke leeservaring. Met de nadruk op ervaring.

« Walter Benjamin – Kritische portretten: twaalf essays over literatuur
F.B. Hotz – Onrustige dagen: De mooiste verhalen »