F.B. Hotz – Onrustige dagen: De mooiste verhalen 20/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

In 1956 trouwt de 34-jarige jazztrombonist Frits Bernard Hotz tot grote verbazing van zijn vrienden met de 21-jarige Greetje ‘Barbara’ Rietbroek uit Scheveningen. In de jaren voor hij deze beslissing bekendmaakt, stond Hotz niet meteen bekend als een groot pleitbezorger van het huwelijk. Hij vond het vooral een instituut dat een garantie bood op een heleboel nodeloos getob. Het koppel krijgt een zoon, maar het huwelijk strandt uiteindelijk na acht jaar. Barbara, die heeft af te rekenen met zware depressies, heeft naar verluidt tijdens haar huwelijk met Frits een verhouding met diens beste vriend Serein Pfeiffer en na de echtscheiding trouwt ze met hem. Dat huwelijk loopt in 1970 noodlottig af als ze Serein in een vlaag van waanzin vermoordt. Hotz zal in zijn latere leven zelden naar die gebeurtenis verwijzen – als hij het wél doet, spreekt hij van ‘het gedoe in Den Haag’. Maar de gebeurtenis laat een onuitwisbare indruk achter op de mens die hij is en de schrijver die hij later zal worden. 

Als F.B. Hotz in 1976 debuteert met de verhalenbundel “Dood weermiddel” zijn de Nederlandse en Vlaamse literaire wereld met stomheid geslagen. In die mate zelfs, dat heel wat mensen weigeren te geloven dat we hier te maken hebben met het debuut van een 54-jarige schrijver waarvan weinigen tot op dat moment hadden gehoord (twee jaar voordien verschijnt Hotz’ verhaal “De tramrace” in Maatstaf, maar daarna blijft het weer stil rond hem). ‘Ik vond het zo onbegrijpelijk mooi dat ik me niet kon voorstellen dat het een debuut was van een totaal onbekend iemand,’ schrijft veellezer Maarten ’t Hart bijvoorbeeld. Het is dan ook veeleer uitzondering dan regel dat een schrijver debuteert met een verhalenbundel die zo uitgebalanceerd, scherpzinnig, stijlvol en met een volstrekt eigen signatuur geschreven is. Omdat Hotz er een wat zuinige vertelstijl op nahoudt, zijn vergelijkingen met Elsschot en Nescio niet van de lucht, waar het vooral het werk van de intussen bijna vergeten Nederlandse schrijver J. van Oudshoorn is dat hem ertoe aanzet om zelf te gaan schrijven.

De personages die de verhalen van Hotz bevolken, zijn bijna allemaal gemankeerde mensen. Ze leven levens waarin iets fundamenteels ontbreekt, iets van wezenlijk belang in een mensenleven, zoals liefde, geborgenheid, het gevoel gezien te worden, een rol te spelen in iemands leven, en ze lijken zich daarbij te hebben neergelegd. Die gelatenheid van mensen die geen of amper illusies hebben, wordt bij Hotz nooit overschaduwd door zwaarmoedigheid of mistroostigheid. Men draagt de eigen smart met een soort waardigheid die mij onwillekeurig doet denken aan de elegantie van een smaakvol maar versleten maatpak: achter de slijtplekken zie je de contouren van wat ooit grandeur uitstraalde. Op een curieuze manier is dat een ontroerend beeld, terwijl ontroering niet meteen een emotie is die op het voorplecht staat in de wereld van Hotz: de personages die zijn verhalen bevolken zijn stuk voor stuk ietwat afstandelijk, nuchter en in veel gevallen verre van werelds.

In de onlangs verschenen bundel “Onrustige dagen” verzamelde samensteller Thomas Heerma van Voss zeventien verhalen van F.B. Hotz die voldoen aan één criterium: persoonlijke voorkeur gebaseerd op pure bewondering. Dat de bundel als ondertitel ‘De mooiste verhalen’ meekrijgt, is dan ook zeer subjectief, maar dat stoort absoluut niet. Al valt er uit het oeuvre van Hotz met evenveel ‘gemak’ een volledig andere verzameling samen te stellen, een collectie die zonder twijfel even sterk en overtuigend zou zijn als deze zeer representatieve bloemlezing. Na jaren van stilte rond een van de beste schrijvers van korte verhalen in ons taalgebied, is het een uitstekend initiatief om een bloemlezing op de markt te brengen die een mooie staalkaart biedt van waartoe Hotz in staat was. Nog mooier zou het zijn dat De Arbeiderspers zijn volledige werk gewoon weer toegankelijk maakt voor de lezer. Die zou dan het haar of zijn hart kunnen ophalen aan zeven verhalenbundels die hun plaats verdienen in de hoogste regionen van de Nederlandstalige – en misschien zelfs de internationale – literatuur.

« Hanny Michaelis – Oorlogsdagboek 1940-1945
Eva Meijer – Het schuwste dier »