De melancholie van Jon Fosse 15/06/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

Jon Fosse (1959), Noors dichter, romancier en dramaturg, wijdde in de jaren negentig aan de romantische landschapsschilder Lars Hertervig (1830 – 1902) een tweeluik, nu integraal beschikbaar in Nederlandse vertaling. Op de achterflap staart Fosse, schonkig en imposant als Orson Welles, indringend naar iets in de verte. Zijn blik is duister en verwachtingsvol. Hij lijkt op een bepaalde manier op de man wiens portret de omslag siert: Lars Hertervig. Melancholie versluiert diens felle oogopslag. Zijn geest vertoeft onmiskenbaar in zichzelf.

Melancholie I

Melancholie I speelt zich grotendeels af in het hoofd van de Noorse monomane kunstenaar Hertervig. De eerste twee delen van de roman beschrijven, met drie jaar tussentijd, telkens een dag uit zijn leven. Nauwgezet schept Fosse een schizofrene persoonlijkheid. In het derde en laatste deel bevinden we ons, anderhalve eeuw later, in het hoofd van de fictieve schrijver Vidme. Na een plotse openbaring identificeert die zich met Hertervig en projecteert zijn eigen dwanggedachten en obsessies op het voorwerp van zijn studie. In hoeverre strookt zijn beeld van de kunstenaar nog met de werkelijkheid? Een interessante vraag, die Fosse aan het einde van de roman suggereert.

Düsseldorf, 1853. Lars Hertervig, kunststudent uit Stavanger, zoon van quakers, ligt op zijn bed een pijpje te roken en vraagt zich af hoe zijn schilderij op de kunstacademie beoordeeld zal worden. Hij is er niet gerust op, blijft liggen en luistert naar het pianospel van ‘zijn lieve Helene’, de vijftienjarige dochter van de hospita. ‘Misschien kan hij helemaal niet schilderen.’ ‘Niemand kan zo schilderen als ik’, werpt hij tegen. ‘Ik ben de grote schilder Lars Hertervig!’ Toch blijft hij liggen als een Oblomov. Het licht in Helenes ogen vervult hem en maakt hem rustig. Het enige wat hij wil is bij haar zijn, maar haar oom ligt op de loer. Met zijn zwarte baard en zijn zwarte ogen staat hij in de deuropening stilzwijgend naar de nietsnut te kijken. Lars vreest dat hij weggestuurd zal worden, maar blijft als verlamd liggen. Steeds dezelfde gedachten malen door zijn hoofd. Ongehinderd kunnen obsessies zich ontwikkelen, louter berustend op Lars’ verbeelding; interactie met andere mensen is er vrijwel niet. De weinige, nietszeggende woorden die hij uitspreekt, worden steeds verkeerd begrepen. Hij blijft dus liggen, niet in staat wat dan ook te ondernemen om zijn dwanggedachten te doorbreken.

De innerlijke monoloog van Hertervig maakt duidelijk dat hij zich in een mentale cocon bevindt, ten prooi aan waanbeelden en fantasieën. Hij ziet dingen die er niet zijn: zwevende kleren, zijn vader, zijn zuster. Met een minimalistisch vocabularium – bijvoeglijke naamwoorden komen amper voor – en door nadruk te leggen op de dwangmatige ik-beleving van het hoofdpersonage en zijn paranoïde gedachtegang, roept Fosse een verstikkende zwaarmoedigheid op: ‘Ik weet het. Ik moet mijn kamer uit. Jij zegt dat ik mijn kamer uit moet. Ik kan hier niet langer blijven wonen. Je hebt gezegd dat je oom zegt dat ik moet verhuizen. Ik moet mijn kamer uit. Je hebt je oom gevraagd mij eruit te zetten. Ik weet het. Je wil dat ik verhuis’. Een sober stilleven in een besloten ruimte tekent zich af. Fosse gebruikt in zijn taal franjes noch kleur, enkel licht en schaduw, eenvoudige vormen, nauwelijks beweging of geluid. Het lijkt of de roman in watten is gehuld, omgeven door een wazig wit licht.

In een volgende passage dwaalt Hertervig door de straten van Düsseldorf. Nu hij op straat is gezet, is Malkasten de enige plek waar hij naartoe kan, ‘naar verluidt een plek waar het wemelt van de schilders die niet kunnen schilderen’. Wat heeft hij, ‘een groot schilder’, daar te zoeken? In Malkasten treft hij medestudenten. Ze lachen hem uit en noemen hem spottend ‘kwaker’. Hertervigs herinnering aan zijn eerste quakersamenkomst op het eiland waar hij vandaan komt, verklaart mede zijn extreem introspectieve en passieve persoonlijkheid: ‘Ik hoef alleen maar te zitten en proberen niet te denken en alle gedachten die in me opkomen moet ik, zodra ze zich aandienen, pogen te laten gaan zodat ze verdwijnen, alles wat me zorgen baart of vreugde schenkt, moet ik trachten los te laten zodat het uiteenvalt in kleine restjes van iets wat verwordt tot niets, of bijna niets, want dan kan het stil in me worden (…) en dan, als ik in een staat van genade verkeer, kan ik vervuld raken met een koel licht (…) dat zo schittert’. De werkelijkheid die Hertervig nu in Düsseldorf waarneemt, is vervormd. Hij vindt het juiste medium niet. Het licht heeft hem in de steek gelaten. Het is of hij wegzakt in een moeras. Zijn enige houvast is Helene en in gedachten beweegt hij zich voortdurend in haar richting. Hij zit gevangen in een onstilbaar verlangen. Melancholie.

Als een schilder die met zijn penseel het juiste beeld zoekt, corrigeert en verfijnt, tracht Fosse met zijn pen de juiste woorden, klank en sfeer te vatten, in omtrekkende bewegingen, herhalend, herformulerend, soms tergend traag. Fosse schept koortsachtig. En de lezer, gevangen in het brein van het hoofdpersonage, zoekt harmonie in al die onrust.

Het gesticht Gaustad, 1856, de dag voor kerst. Opnieuw ligt Hertervig op zijn bed, verlamd door dwanggedachten. Hij mag van de dokter niet schilderen zolang hij in behandeling is. Hij mag wel sneeuw ruimen. De dokter zegt dat hij gek geworden is door naar landschappen te staren. Hertervigs obsessie voor Helene is er na drie jaar nog steeds, met als enige verschil dat ze nu niet meer zijn ‘lieve Helene’ is maar een vuile hoer. De oppasser houdt hem in de gaten omdat hij voortdurend aan zichzelf zit. Zijn medepatiënten lachen hem uit en noemen hem een ‘schilder van niks’. Hertervig plant een ontsnapping.

Asane, Noorwegen, 1991. Vidme, een ‘tamelijk mislukte’ schrijver loopt voorovergebogen door de regen. Hij heeft net besloten een roman te schrijven over de schilder Lars Hertervig. Dat plan rijpte na een bezoek aan het Nationaal Museum in Oslo waar hij, oog in oog met een landschap van Hertervig, plots door het goddelijke werd aangeraakt. Maar Vidme komt niet aan schrijven toe, omdat hij zich net als de kunstenaar laat afleiden door obsessies en dwanggedachten. Hij overweegt zich opnieuw aan te sluiten bij de Noorse Kerk.

Jon Fosse ziet schrijven als een daad van luisteren, de schrijver als een medium. Fosse luistert aandachtig naar wat Hertervig hem vertelt via zijn schilderijen. Hij luistert naar wat hij ziet en herschept wat hij hoort in ritmische taal. Met hypnotiserende, minimalistische, repetitieve bewoordingen loodst Fosse de lezer het hoofd van de protagonist in, doet de deur op slot en gooit de sleutel weg. Al na enkele zinnen zit je vastgeklonken aan de dwanggedachten van een schizofrene melancholicus. Je hebt in Melancholie I geen andere keuze dan Lars Hertervig te worden: een beklemmende ervaring

Melancholie II

Vroeg in de herfst van 1902 loopt Oline met de vis die ze beneden bij de zee kocht de helling op, naar haar mooie witte huisje met de rood geschilderde deur. Oline loopt met een stok. Ze is oud, krom en vergeetachtig. Intussen heeft ze zoveel kleinkinderen dat ze de tel kwijt is en de namen door elkaar haalt. Ze loopt langs het huis van haar broer in Stavanger. ‘Oline!’ roept schoonzus Signe. Sivert wil haar spreken. Het gaat niet goed met hem. Haar andere broer Lars ligt nog maar net onder de grond. Is het nu al Siverts beurt? Straks, zegt Oline. Eerst zal ze stapje voor stapje de heuvel opgaan, zich de dingen proberen te herinneren. Niet alleen Olines geheugen loopt leeg. Ze moet alweer dringend naar het secreet.

In dit tweede luik stappen we in de geest van Oline, Hertervigs dementerende, incontinente (en fictieve) jongere zus. Andermaal schept Fosse met een minimalistisch instrumentarium – een handvol woorden, ritmisch herhaald, enkele toetsen licht en schaduw, nauwelijks beweging of geluid – een sober en meditatief stilleven. Langzaam, langzaam worden de contouren van de personages zichtbaar. Niettemin zit je al na enkele zinnen aan hen vastgeklonken, niet op hun huid maar diep in hun poriën.

Plichtsbewustzijn verankerde Oline in haar aardse bestaan. Lars daarentegen, steeds op de vlucht, raakte verstrikt in zijn hang naar het etherische en in zijn obsessies. Op het laatst zat hij alleen nog maar wat te kladderen. Hij had een groot kunstschilder kunnen worden. Het enige wat Oline van Lars bezit, is een waardeloos werkje dat tegen de binnendeur van het secreet hangt en waarschijnlijk een paard met ruiter voorstelt. Lars was toen al ver heen.

Nu moet ze volhouden. Oline loopt – met nu en dan een stilstand want haar voeten doen zeer – en herinnert zich allengs minder. Vragen doorkruisen haar geest. Haar gedachten bungelen aan elkaar zoals de twee vissen aan het snoer. Fosse puurt dat eenvoudige beeld van Oline uit: steunend op haar stok de helling op lopend met een geheugen dat aan flarden hangt. Hij dwingt je om traag te lezen, zo traag als Oline sjokt, nu en dan tot stilstand komend en achterom kijkend naar een recent, ver of nog verder verleden, naar haar op sterven liggende broer of naar die andere broer die al onder de grond ligt, naar hun kindertijd op BorgØya. Vroeger en nu lopen door elkaar en samen met Oline de helling op.

De ouders van Lars en Oline waren quakers. Geen van hun kinderen was gedoopt en op het eiland werden ze gediscrimineerd. Ze overwogen te verhuizen. Steen per steen zou vader het huis afbreken en in Stavanger weer opbouwen. De schuwe Lars, zijn ogen ‘duister als zwarte steen’, kon zomaar beginnen te huilen wanneer hij over het eiland zwierf. Soms bleef hij uren weg. Dan tekende hij zwarte wolken op drijfhout. Oline maakte zich zorgen om haar broer, maar ze moest de ladder vasthouden voor haar vader die schrijlings op het dak zat en kon hem niet achterna.

Vaak ging Lars als een baarlijke duivel tekeer, tierend dat andere schilders geen verstand hadden van kunst. Als hij hout kapte, doorkliefde hij hen een voor een. Ook Sivert was een aparte: koppig en star, net als Lars. Beide broers waren trots op hun baard en dol op hun pijp.

Daar staat Oline, de stok in de ene, de vis in de andere hand. Ze strompelt, gebogen over haar stok, nog een stukje de helling op, met haar zere voeten, naar haar mooie huisje. Ze moet het secreet zien te halen en naar Lars’ schilderij op de deur kijken alvorens weer af te dalen, want Sivert ligt op sterven en wil haar spreken. Lars, die zo goed kon schilderen en trots door de straten van Stavanger liep, wilde haar niet spreken. Ze zag hem wegrennen naar de zee.

Oline holt al haar leven lang heen en weer. Tussen ladder en zee, brug en afgrond, het aardse en het hemelse. Terwijl ze op de po zit, denkt ze aan Sivert op zijn sterfbed en probeert ze haar oog op de vis te houden. Oline is een tragische figuur, net als Lars. Ze komt altijd te laat. Lars ging ten onder, zij haalt het secreet niet op tijd, de vis wordt opgepeuzeld door de kat en Sivert zal straks zonder haar zijn laatste adem uitblazen. Haar bekommernissen lijken klein en des levens, maar zijn net zo immens als de helling waar ze telkens weer tegenop hompelt.

Lars en Oline krijg je onmogelijk nog afgeschud. Het kruispunt van hun beider kruiswegen, complementair als licht en schaduw, is het kloppend hart van dit harmonieuze tweeluik. Eerst zie je het niet. Fosse lijkt wat te kladderen. Je leest, herleest variaties op hetzelfde, raakt in een soort droomtoestand. En plots – je weet niet wat je overkomt – ben je betoverd. Niemand doet dat Fosse na, hoewel het eenvoudig lijkt. In de herhaling van woorden en zinnen zit geen systeem; je weet niet hoe de lijnen zullen lopen. Zoals bij alle grote kunst liggen de schoonheid en de magie niet alleen in het talent van de maker, ook in de ogen van de ontvanger. De lezer – bij Fosse een essentieel medium – schept mee, louter door te kijken, te luisteren, te herhalen.

Jon Fosse: Melancholie I, Uitgeverij Oevers, Zaandam 2018, 320 p. Vertaling van Melancholia I door Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven. ISBN 9789492068217.

Jon Fosse: Melancholie II, Uitgeverij Oevers, Zaandam 2020, 136 p. Vertaling van Melancholia II door Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven. ISBN 9789492068361.

« Een veelvoud aan zielen
Cyro dos Anjos – Ambtenaar Belmiro »