Cyro dos Anjos – Ambtenaar Belmiro 31/05/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

Aan de literatuur heeft Belmiro zijn redding te danken.

Het was de dag voor Kerstmis, 1934, toen Belmiro aantekeningen begon te maken voor zijn memoires. In een kroeg in Belo Horizonte voerde een groep vrienden – intellectuelen, revolutionairen, filosofen en literatoren – een verhitte discussie. Belmiro hield zich zoals gewoonlijk afzijdig. Een faustische onrust woedde in zijn borst. Liever dan kleinburgerlijk en ruggengraatloos wou hij door de anderen ‘opwindend’ worden gevonden.

Met de zopas vertaalde roman Ambtenaar Belmiro schiep de Braziliaanse schrijver en journalist Cyro dos Anjos (1906-1994) een indrukwekkende reflectie over literatuur, schrijverschap en identiteit. Levendig portretteert hij het Braziliaanse stadsleven van de jaren dertig en zet een onvergetelijk personage neer: de gevorderde dertiger Belmiro, een ‘lage ambtenaar’, verstoken van ambitie en toch koortsachtig zoekend. Met brio brengt vertaler Harrie Lemmens dos Anjos’ geestdrift en verfijnde ironie over.

Toen de oude Borba overleed en de fazenda werd verkocht, verhuisde Belmiro samen met zijn twee zussen naar de stad en ging er aan de slag op de dienst Groei en Ontwikkeling. ‘Ambtenaar!’ riep de ouwe bij leven vol minachting uit. Liever zag hij zijn zoon in het landleven aan de slag.

Telkens als Belmiro aan het denken slaat, verdwaalt hij in een labyrint van mogelijkheden. In tegenstelling tot zijn heetgebakerde kameraden twijfelt hij voortdurend. Hij is niet in staat de wereld in mechanische onderdelen of mensen in klassen op te delen. Belmiro probeert zijn passiviteit te doorbreken door alleen op feestdagen te schrijven, wanneer hij kan opgaan in de massa. Maar hij slaagt er niet in contact te krijgen met de wereld van de menigte, zij die in staat zijn gemoedsbewegingen met armen en benen over te brengen. Ambtenaar Belmiro is een dromer, geen doener. In zijn aantekeningen stelt hij zichzelf beschroomd voor als een ingewikkeld man, zowel cynisch als lyrisch.

Wanneer hij schrijft, heeft Belmiro het liever niet over het heden, om de eenvoudige reden dat zijn leven stilstaat. Vanzelf voeren zijn schreden hem naar het verleden, naar het Vila Caraíbas van zijn jeugd, de fazenda en zijn toenmalige liefde Camila. Alleen door vluchtige beelden uit vervlogen tijden na te jagen, zal hij zichzelf kunnen vinden, meent hij. Hij weet nog niet dat het heden hem onverhoeds zal inhalen.

Op een feestdag, tijdens een carnavalsstoet, staat Belmiro met zijn hoge boordje en pince-nez stokstijf te midden van een uitgelaten drom engelen en sprookjesfiguren. Hij wordt meegesleurd en geeft zich alsnog over aan dat mensdom. Als door de bliksem getroffen huppelt hij plots hand in hand met een elfachtig, roomblank wezen. Hij doopt de majestueuze verschijning ‘jonkvrouw Arabela’, verheft haar prompt tot zijn mythische liefde en valt vervolgens flauw.

Daags nadien doet Belmiro een poging een gedicht te schrijven. Alles wijst erop dat hij verliefd is. Zijn kwellingen ten spijt, ontleedt en stileert hij het lijden als een fanatieke estheet. De mythische Arabela blijkt echt te bestaan. Ze heet Carmélia. Om in haar kringen terecht te komen, laat Belmiro zich door een welgestelde collega naar salons meetronen. Terwijl hij afzijdig postvat naast een jasmijn, kleuren Proustiaanse taferelen voortaan zijn avonden.

Op de dienst Groei en Ontwikkeling liggen de meesten van Belmiro’s collega’s opzichtig dwars. Ze klokken in ‘met een opstandige geest en misprijzende handen’. Belmiro heeft helemaal geen last van opstandigheid. Dankbaar denkt hij aan het waardige pensioen dat de staat hem in alle oprechtheid belooft. Voor het beschrijven van zijn nieuwe liefde vindt Belmiro inspiratie bij zijn vrienden: de leugenachtige filosoof Silviano, die de dingen beschrijft zoals hij graag zou willen dat ze zich voordoen; Florenció, een rechtlijnig man zonder afgronden; de fanatieke Redelvim; Glicério, niet meer dan een naïef kind, en de wispelturige Jandira. Belmiro’s aantekeningen hebben steeds meer weg van fictie. Verleden valt er in de verste verte niet in te bespeuren.

Op zijn achtendertigste verjaardag bladert Belmiro door zijn aantekeningen en stelt vast dat het heden zijn geest dusdanig in beslag neemt ‘dat het de beelden uit het verleden’ verdreven heeft. In een ultieme poging zijn aantekeningen opnieuw het karakter van memoires te geven, bereist hij andermaal het verleden. Hij keert terug naar Vila Caraíbas, begin jaren 1900. Polka’s in de salon, maanlicht boven de fazenda en de serenade. Zinloos, want de tijd is nu; het heden slokt hem op. Hoe verlangt hij naar het immateriële en het tijdloze! Al schrijvend ontwikkelt Belmiro de gave van de ironie. Schroomvallig opent hij de dans met het leven.

Intussen is het woelig in Belo Horizonte. Er is een communistische revolte aan de gang. Verdachte elementen worden opgepakt, verhoord, gemarteld. Ook Belmiro wordt gearresteerd. De politie komt in het bezit van zijn aantekeningen, die ironisch genoeg zijn redding worden. Uit zijn geschriften blijkt immers dat hij geen enkele dreiging vormt, voor om het even welk regime. Na zijn vrijlating groeit bij Belmiro het besef dat hij een cerebrale hartstocht heeft gecultiveerd, ‘liefde omwille van de liefde’, en dat het bonte gezelschap dat hij zijn vriendenkring noemt, een vat vol tegengestelde krachten is, slechts door hem bijeengehouden. Bestond de vriendenkring, die nu uiteengevallen is, alleen in zijn wensdromen?

Ondanks zijn mislukte pogingen om te worden wie hij wil zijn, heeft Belmiro geleerd hoe hij van zijn problemen een soort ‘innerlijk theater’ op papier kan maken, waarbij een deel van hem op de planken staat en een ander deel in de zaal gaat zitten en toekijkt. Een jaar ‘met een intensiteit die de som van vele levensjaren overstijgt’ is verstreken. Uit zijn aantekeningen rijst een volkomen ander wezen op dan wat hij dacht te belichamen.

Eerder verschenen op Mappalibri: http://mappalibri.be/?navigatieid=61&via_navigatieid=17&recensieid=8452 en Geen dag zonder boek: https://geendagzonderboek.com/2020/01/12/dans-kleine-man-met-het-leven/

Cyro dos Anjos: Ambtenaar Belmiro, Koppernik, Amsterdam 2019, 240 p. Vertaling van O amanuense Belmiro door Harrie Lemmens. ISBN 9789492313768.

« De melancholie van Jon Fosse
Thomas Bernhard x 3 »