Colson Whitehead – De jongens van Nickel 20/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

‘Racisme is het bederf van het menselijk geweten. Het idee dat iemand inferieur aan een ander zou zijn, dat iemand zichzelf superieur acht en anderen als minder menselijk beschouwt, ontneemt hem zijn menselijkheid, zelfs van diegene die zichzelf god waant,’ zei Nelson Mandela in zijn toespraak tot het Britse Parlement op 11 juli 1996. Die misplaatste veronderstelling van superioriteit, een premisse die helaas nog steeds opgeld maakt in onze maatschappij, vindt wat de VS betreft haar ontstaan in de achttiende eeuw, toen blanke Europeanen het Amerikaanse continent overspoelden en de inheemse bevolking bijna uitroeide omdat die inferieur zou zijn. Kort daarna werden de eerste zwarte slaven ingevoerd vanuit Afrika, waarna het tot 1865 eer de slavernij zou worden afgeschaft.

Dat het afschaffen van iets niet per definitie ook leidt tot het uitsterven van de daaraan verbonden uitwassen, blijkt uit de wijze waarop de zwarte bevolking van de VS in de vele decennia na de afschaffing van de slavernij behandeld is door het blanke deel van de inwoners. Met name in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, de periode waarin dominee Martin Luther King zich ontpopte tot charismatische leider van de Civil Rights Movement, was de houding van een groot deel van de blanken ten opzichte van de zwarte bevolking ronduit stuitend. Het hebben van een donkere huidskleur volstond om in de grootst mogelijke moeilijkheden te geraken.

In ‘De jongens van Nickel’, de nieuwste roman van de Amerikaanse schrijven Colson Whitehead, speelt diezelfde Reverend Doctor King een belangrijke rol in de persoonlijke en politieke bewustwording van hoofdpersonage Elwood Curtis, een welwillende zwarte jongen die een beloftevolle toekomst voor zich heeft. Elwood, een uitstekende leerling die ernaar uitkijkt na zijn middelbare school de stap te zetten naar de zwarte technische hogeschool in zijn woonplaats Tallahassee, krijgt op kerstmis 1962 een lp met de toespraak die King gaf in de Zion Hill Baptist Church in Los Angeles. Die speech loopt als een rode draad door dit onverkwikkelijke verhaal over de misstanden in de tuchtschool Nickel, een geschiedenis die gebaseerd is op ware gebeurtenissen. In 2009 kwam namelijk aan het licht dat er op de Arthur G. Dozier School for Boys in Marianna (Florida) behoorlijk wat fout liep in het gedrag van sommige leerkrachten, bewakers en andere werknemers tegenover vooral de zwarte jongens. Wantoestanden die varieerden van seksueel misbruik tot gewelddadigheid. Later bleek dat er op het grondgebied van de school en tot ver daarbuiten ruim 100 lichamen van jongens waren begraven in naamloze graven, allemaal slachtoffers van het gewelddadige bewind dat decennialang in de school heerste.

In die context plaatst Colson Whitehead zijn protagonist Elwood Curtis, die door een speling van het lot – hij had de pech een zwarte tiener te zijn in het Amerika van de jaren zestig in de vorige eeuw – in Nickel terechtkomt. Die tuchtschool ligt op meer dan 500 kilometer van zijn thuis, zodat hij amper bezoek krijgt. Daar belandt hij in een afgesloten wereld met ongeschreven wetten, waarin willekeur, terreur, lijf- en andere straffen, bruutheid, wreedheid en onversneden racisme de boventoon voeren. Vrij kort na zijn komst in Nickel komt Elwood in contact met Jack Turner, een zwarte jongen met heel wat street credibility. Jack is niet wars van enig opportunisme als dat ervoor zorgt dat hij daarmee uit het brandpunt van de aandacht kan blijven. Want het is net in dat brandpunt waar het schrikbewind van Nickel het hardst en gewelddadigst toeslaat. Elwood zal dat niet alleen door schade en schande, maar vooral aan den lijve ondervinden. Dat zet hem ertoe aan te vluchten, daarin gesteund door Jack die intussen zijn beste vriend is.  Op een zekere dag doet zich de kans voor zich uit het versmachtende harnas van Nickel te bevrijden.

Whitehead beschrijft het leven in het tuchthuis met finesse, maar vooral met veel erbarmen voor de gedupeerden die zijn verhaal bevolken. De onbegrensde willekeur van de bewakers en het daaruit voortvloeiende lichamelijke en geestelijke mishandeling worden nooit expliciet omschreven en komen net daardoor aan als een vuistslag in het gezicht van de lezer. Het racisme is op sommige pagina’s bijna tastbaar. Diezelfde lezer krijgt aan het eind van de roman nog eens een draai om de oren met een plotwending die zelfs de meest gereserveerde lezer raakt als een tientonner. Al die elementen maken van ‘De jongens van Nickel’ een boek dat nog lang in je hoofd blijft rondspoken. Groots, gruwelijk, grandioos.

« David Cesarani – Endlösung: Het lot van de joden 1933-1949
Behrouz Boochani – Alleen de bergen zijn mijn vrienden »