Behrouz Boochani – Alleen de bergen zijn mijn vrienden 20/04/2020 – Posted in: Boekbesprekingen

In de christelijke traditie, de fundamenten waarop de Westerse beschaving grotendeels werd opgetrokken, geven de zeven werken van barmhartigheid aan hoe christenen mededogen dienen te tonen met mensen die het minder goed getroffen hebben dan zij. In de Middeleeuwen werden er naast de lichamelijke ook zeven geestelijke werken uitgewerkt die zich richten op het lenigen van spirituele nood. De principes van de werken van barmhartigheid liggen aan de basis van wat je ons collectieve morele kompas kunt noemen, dus ook van niet-christenen. Door toenemende druk van (rechts-)nationalistische politieke partijen en drukkingsgroepen die van migratie hun vaak enige speerpunt maken, dreigt het vierde lichamelijke werk van barmhartigheid, de vreemdelingen herbergen, als een gevluchte verschoppeling uit de boot te vallen.

Vanuit een warme woonkamer en gezeten aan een rijkelijk gedekte tafel is het gemakkelijk filosoferen over het groeiende vraagstuk van de wereldwijde migratie. Die discussie wordt aanzienlijk minder comfortabel als je met beide benen midden in die kwestie staat. Als je er, tegen wil en dank, deel van uitmaakt. Dat laatste overkomt de Koerdische dichter en journalist Behrouz Boochani in 2013 als hij zijn geboorteland Iran ontvlucht. Boochani beschrijft de jaren na die vlucht in ‘Alleen de bergen zijn mijn vrienden’, dat schitterend vertaald werd door Irwan Droog. Boochani brengt eerst enige tijd door in Indonesië om vandaaruit met een boot vol vluchtelingen, wat meteen het enige element is dat hen met elkaar verbindt, naar Australië te varen. Dat gebeurt op een aftandse vissersboot die bij nader inzien nauwelijks zeewaardig blijkt te zijn. De beschrijving van de dagen en nachten op zee doet soms denken aan de hel van Dante: gloeiende zon, voortdurende honger, aanhoudende dorst, groeiende ergernis tussen de vluchtelingen die niet anders kunnen dan hun lot in de handen leggen van lieden die zich geen donder om hun bekommeren, kortom omstandigheden waarin sommigen zich van hun kleinste kanten laten zien: “Zwakke mensen voelen zich altijd machtig wanneer ze anderen zien lijden. Maar als iemand instort, ontwaakt de onderdrukker in ons allemaal. Dat de ander instort is een reden om te vieren dat we er zelf beter aan toe zijn.” Alsof de lezer een blik in de hel van Dante krijgt toegestaan.

Vlak voor de boot met migranten dreigt te zinken, worden ze opgepikt door de Australische kustwacht. Dat land is gebouwd op immigratie dus hoopt Boochani dat zijn lijdensweg ten einde is. Maar dat is zonder de Australische overheid gerekend, die de vluchtelingen op Kersteiland verzamelt, de naam van de plaats is idyllischer dan de realiteit doet vermoeden, om ze vervolgens met het vliegtuig naar Manus te deporteren, een vulkanisch eiland onder de rook van Papoea-Nieuw-Guinea. Daar komen Boochani en zijn lotgenoten terecht in Fox Prison, een detentiekamp dat officieel niet bestaat. In dat kamp, waar honderden mensen (vooral mannen) op een veel te kleine ruimte bijeen zaten, past de bewaking het Kyriarchaal Systeem toe. Dat berust op drie pijlers: overheersing, onderdrukking en onderwerping. Niet meteen iets dat je verwacht in een opvangcentrum van vluchtelingen, maar Fox Prison is in de werkelijkheid dan ook een gevangenis met een keihard regime waarin overtuiging tegen overtuiging wordt uitgespeeld, afkomst tegen afkomst, huidskleur tegen huidskleur. Waar de meest stompzinnige regels worden gehanteerd die elk moment kunnen veranderen: “De regels en voorschriften komen voort uit een onbekende bron, of zijn ontwikkeld op basis van een of andere geheime grondgedachte, en ze belanden altijd maar gewoon in de gevangenis, om daar op het mentale welzijn van de gevangenen te drukken.”

Boochani’s verhaal over gevangenschap en vernedering, buiten gesmokkeld via talloze WhatsApp-berichten, schetst een ontluisterend en bijzonder pijnlijk beeld van de manier waarop de zogeheten vrije wereld omgaat met mensen die op zoek gaan naar een beter bestaan. Mensen die hun geboortegrond niet uit opportunisme verlaten, maar omdat ze in landen wonen waar het onmogelijk is om lang – of zelfs maar kort – in vrede te leven, met gemoedsrust, in vertrouwen, in de wetenschap dat een tijdelijke verstoring van evenwicht een uitzondering is en niet de nieuwe regel. Boochani kijkt naar die behandeling, naar die onmenselijkheid, die bij tijden gruwelijke willekeur met de blik van een dichter die wil weten waarom mensen elkaar aandoen wat ze elkaar aandoen. Hij is geen kille observator die vastlegt wat er gebeurt, maar een man die zijn hart laat spreken. Boochani is iemand die zich, ondanks de beenharde wereld waarin hij zich bevindt, kwetsbaar en betrokken durft op te stellen. Ja, hij oordeelt en veroordeelt, maar doet dat steeds na een analyse van de ander en zichzelf. Dat is geen sinecure in de weinig benijdenswaardige positie waarin hij zich jarenlang bevindt.

In tijden waarin vluchtelingen en migranten een gemakkelijke kapstok zijn om frustraties, teleurstelling, woede en ontnuchtering aan op te hangen, levert een boek als ‘Alleen de bergen zijn mijn vrienden’ een belangrijk tegengif. Het biedt inzicht in een situatie die de meesten van ons niet kennen en niet wíllen kennen, zorgt voor nuance en begrip voor de beweegredenen van vluchtelingen, laat ons kijken door de ogen van verschoppeling die we hopen nooit te zullen worden. En het drukt ons nog eens barmhartig op het vierde van de zeven werken van barmhartigheid: de vreemdelingen herbergen. Misschien komt het dan ook weer goed met ons morele kompas.

« Colson Whitehead – De jongens van Nickel
Bertram Koeleman – Het wikkelhart »